Boekbespreking: Langs bergen van werk van Willy van Poucke

Sonja De Schaepdryver

 

 

In zijn woord vooraf belicht de auteur de verkenningstocht die hij zal maken en ook waarom hij dat wil doen. Het Grote Routepad nummer 412 - het terrilpad - zal hem voeren van Bernissart aan de Franse grens naar Blegny, voorbij Luik. De 280 kilometer lange tocht door het voormalige mijnbekken langs het sentier des terrils wil hij al stappend afleggen. Bewust gebruikt hij in het Nederlands het woord terril omdat het woord, zo meent hij, een hoge signaal- en gevoelswaarde heeft op sociaal, politiek en cultureel vlak. Stuksgewijs zal hij het pad volgen want het moet een leerzame tocht worden. Zijn drijfreden is een verdwenen wereld en een nagenoeg verzwonden soort mensen weer tot leven wekken. De verhaallijn van het boek loopt dus langs twee parallelle lijnen. Enerzijds de voettocht die hij stuksgewijs aflegt langs het ‘terrilpad’, anderzijds de beschrijving van figuren die rechtstreeks of onrechtstreeks met deze verdwenen wereld te maken hebben.

 

Borinage


In Bernissart, waar zijn lange tocht aanvangt, staat aan de straatkant een intrigerende ruïne. Het is het oudste nog bestaande mijngebouw van het Europese vasteland (1781). De vroegere torens herbergden een stoommachine die werd gebruikt voor de exploitatie van een steenkoolgroeve. Nu de torens vervallen zijn tot ruïnes blijven alleen de terrils over als roerloze getuigen. In dit deel van de Borinage zijn ook verschillende 19de-eeuwse arbeiderswijken overgebleven. Men noemt het de cités: lange huizenrijen die typisch zijn voor de mijnstreek van Noord- Frankrijk en Wallonië. Ze werden gebouwd door de patroons om hun arbeiders te huisvesten maar vooral om ze aan hun onderneming te binden. Het was een van de vele pogingen tot betutteling van de ‘ontaarde loonslaaf’. Dat ‘ontaard’, meent de auteur, moet letterlijk worden genomen, het werk op het land werd immers ingeruild voor het werk in de mijn.

De volgende terrils op zijn pad liggen geordend in een klein massief. Terrils worden genoemd naar de concessie of de mijn waaruit ze ontstonden of naar de beschermheilige van de plaats of het dorp waar ze zich bevonden. Zo is er de Marcasse verbonden aan de mijn waar Vincent Van Gogh in 1879 afdaalde. Het is een van de oudste en gevaarlijkste mijnen uit de omgeving In 1953 was er een mijngasontploffing die het leven kostte aan 24 mijnwerkers. Op de herinneringsplaat (anno 2003) staan Belgische, Italiaanse, Poolse, Russische en Marokkaanse namen. Dan voert het terrilpad onze onvermoeibare wandelaar naar het vroeg 19de-eeuwse mijncomplex Le Grand- Hornu’. Het terrein met zijn 425 huizen is reusachtig en illustreert de grenzeloze ambitie van het prille industriële tijdperk.

Sinds 2002 huist hier het MAC’s, het museum voor hedendaagse kunst. Eens voorbij Le Grand- Hornu volgt het terrilpad een Ravel, een van de ‘trage wegen’ enkel voor voetgangers, fietsers en ruiters, die door de Waalse overheid zijn aangelegd op vroegere spoorwegtrajecten. Langs dit Ravelpad komt hij in Monsville, een wijk die deel uitmaakt van Quaregnon, waar in 1894 de beginselverklaring van de Belgische Werkliedenpartij werd ondertekend. Achter de daken rijzen de drie ‘Titans du Levant’, reusachtige terrils. Voorbij Mesnil duikt het terrilpad een andere wereld binnen. De auteur heeft de Levant van Mons achter zich gelaten en overschrijdt zo de onduidelijke grens van ‘Le Centre’.



Mijnwerkers


De honderden terrils die de schrijver tegenkomt zijn mensenwerk. Maar, vraagt de auteur zich af, wie was die mijnwerker wiens harde lot nog altijd tot de verbeelding spreekt? Meer dan andere arbeiders immers, kreeg hij gestalte in de literatuur, bij Emile Zola in en George Orwell. De trefzekerste beschrijving van het mijnwerkersleven gaf, volgens de auteur, een schachtenbouwer Constant Malva in de jaren dertig van de vorige eeuw. In Ma nuit au jour le jour beschrijft hij in dagboekvorm een jaar uit zijn mijnwerkersleven. Malva slaagt erin de verschrikkingen van de donkere, stoffige, stinkende, lawaaierige mijn tastbaar te maken. Daarnaast vertelt hij hoe de mijnwerkers toen hun ‘vrije zondag’ doorbrachten. Malva die stierf in 1969 aan silicose, de gevreesde mijnwerkersziekte, moest tot na zijn dood wachten op erkenning.

In dit hoofdstuk citeert Willy Van Poucke veel uit het boek van Georges Orwell, De weg naar Wigan, al was Orwell, volgens hem, maar ‘een gelegenheidsbezoeker met alerte zintuigen’. Toch moet hij erkennen dat nadat Orwell de arbeidersklasse beter had leren kennen, hij geen last meer had van wat vandaag ‘politieke correctheid’ wordt genoemd. Zo citeert de auteur graag uit Orwells uitvoerige beschrijving van de plastische schoonheid van de mijnwerker: ‘Hij is mooier.(…) Hij zwoegt halfnaakt of naakt,over zijn huid zit een glanzende zwarte laag(…) Er zit geen gram te veel aan zijn gespierde, goed geproportioneerde lichaam(…) Hij is klein van stuk, maar breedgeschouderd en smal in de heupen.’ Al was het een fataliteit mijnwerker te worden, toch dragen zij en hun nazaten hun beroep in hun hart, daarvan getuigen de vele mijnmonumenten die Van Poucke op zijn tocht tegenkomt.



Mijnrampen


De vele honderden, in divers gesteente gegraveerde namen van mijndoden, die de schrijver op zijn wandeltocht tegenkomt zijn ongewoon. Ze behoren tot de zeldzame arbeiders wier naam het waard wordt geacht te worden onthouden door de volgende generaties. Pas na de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis in Marcinelle in 1956 werd dat nominale gedenken gebruikt. Marcinelle maakte van de mijnwerkers helden. Vóór Marcinelle werden ze met de nek aangekeken en de duizenden slachtoffers die voor die tijd omkwamen blijven anoniem.

Marcinelle is niet in de vergetelheid verzonken. Getuigen daarvan zijn het mijnmuseum en het memoriaal. Elk jaar weerklinken er op 8 augustus 262 klokslagen van de mijnklok, een slag voor elke dode. Ze waren uit twaalf landen gekomen om steenkool op te delven. Als de schrijver zich op het terrein van de Bois- du- Cazier in Marcinelle bevindt, is er eerst de ontroering die al snel plaatsmaakt voor verontwaardiging en woede als hij merkt dat Vlaanderen het niet nodig heeft geacht een herdenkingsplaquette te sturen. Nochtans waren een groot deel van de 95 Belgische slachtoffers Vlamingen!



Het Centrum en Het zwarte land


De voettocht wordt vervolgd in Le Centre. Het Centrum ontleent zijn naam sinds 1832 aan de steenkoolmijnen halfweg het gebied tussen Mons en Charleroi. In die tijd was er nood aan een kanaal tussen beide steden om de steenkool sneller naar Frankrijk te vervoeren. Het graven van het kanaal was geen makkie als je bedenkt dat een niveauverschil van 93 meter moest overbrugd worden. Vier hydraulische liften en vijf sluizen moesten de klus klaren. Vandaag zien ze er nog altijd imposant uit en zijn terecht door de Unesco erkend als werelderfgoed. Nu zijn ze vervangen door de reusachtige scheepslift van Strépy-Thieu, de grootste van zijn soort in de wereld.

Voorbij Anderlues, het laatste dorp van het Centrum, arriveert de auteur in Fontaine-L’Evêque, in het land van Charleroi. Vanaf het grintpad ziet hij voor het eerst Charleroi in de verte, omgeven door terrils. Het ligt er vorstelijk bij, vindt de auteur, aan alle kanten omringd door zijn fiere wachters, de beboste terrils. Van het zwarte land is vooralsnog niets meer te bekennen. Hier onthult de auteur zijn persoonlijke betrokkenheid bij de streek: zijn vader werkte namelijk in de jaren 50 van de vorige eeuw als bouwvakker aan de Université du Travail. Als hij op vrijdagavond thuiskwam bracht hij voor de kinderen ‘wonderen’ mee.

Vandaag is die stad ontdaan van wonderen, en de man die ze meebracht is er niet langer, mijmert Van Poucke. ‘Toch loopt hij op mijn tocht voortdurend aan mijn zijde.’ De tocht gaat verder naar Le Bois- du- Cazier, waar nog gekaatst wordt (een spel dat de sociale ladder is afgedaald). In Couillet heeft het pleintje zijn dorpse aspect behouden. Dan trekt het pad oostwaarts door de zuidelijke voorsteden en voert naar de top van een paar terrils. Ten oosten van Charleroi loopt het pad evenwijdig met wat ooit de metro van de stad moest worden. De top van een andere terril, de Roton, is een banale zendmast geworden, wat de schrijver schamper doet opmerken dat ‘reizen om wijzer te worden iets is uit vroegere tijden’.



Entr’acte & Luik


Voorbij Sambreville komt de wandelaar via het terrilpad in een andere streek. Een verstilde streek, het welvarende Haspengouw. Rust, weidsheid, landelijkheid, hier gaat het om de bovengrond die rijke oogsten biedt. Hier gaat het om grondbezit, vandaar dat het pad leidt van kasteel naar kasteel. Het landschap van Haspengouw is ook bespikkeld met een zestigtal Tumuli (graftomben uit de Gallo- Romeinse tijd).

Het terrilpad gaat niet tot in Luik, de mijnbouw situeerde zich immers op het plateau boven de Maas. Luik wordt zo omgeven door terrils, die dicht bebost als ze zijn, zuurstof pompen in de stoffige lucht van deze dicht bevolkte, stedelijke en industriële agglomeratie. Luik is eigenlijk de moeder van de steenkool. De bijnaam van de Luikenaars, tête de houille. (kolenkop) verwijst zowel naar de hardheid als de ontvlambaarheid van hun karakter. Het pad duikt in Coronmeuse naar de binnenhaven van Luik, dat ligt op het île de Mons, gevormd door het kanaal en de Maas. Langs de dambrug van Monsin gaat het naar Jupille, het land van Herve waarvan het hoogste punt de top is van de terril van Retinne. De wandelaar versnelt, hij nadert Blegny, het eindpunt van het terrilpad. De reis is afgelopen.

Dit boek is veel meer dan een reisgids. In alles wat de auteur van deze onbekende wereld beschrijft: de mijnwerker, de sociale strijd, de mijnrampen, de feesten, de migratie, voelt de lezer de inlevende gefascineerdheid van Willy Van Poucke voor deze rijk geschakeerde wereld. Het is duidelijk dat ‘de trage bezoeker’ genoten heeft van deze reis, zo ver weg in België en geslaagd is in zijn opzet. Het verdwenen mijnwerkersleven met al zijn misère wordt weer springlevend, tot lering en inzicht van de lezer. Achteraan het boek vindt de lezer nog een lijst van geraadpleegde literatuur waaronder ook Topogidsen en websites.

 

Recensie door Sonja De Schaepdryver
op: http://www.liberales.be/boeken


 Willy Van Poucke, Langs bergen van werk, Globe, Roularta Books, 2008, 254 pp.


Links
mailto:sonja.de.schaepdryver@skynet.be