De staking van 1984 en zijn invloed op het heden:

conflict, identiteit en fierheid in mijnwerkersgemeenschappen.

Gerry Smith, VK, oktober 2009

 

Als we, waar ook ter wereld, het woord ‘dokter’ horen, vormen we ons onmiddellijk een beeld van zo iemand, omwille van hun gemeenschappelijke professionele identiteit. Als we het woord ‘mijnwerker’ horen, gebeuren er gelijkaardige mentale processen, maar het beeld dat we vormen is anders, vaak negatief. We zien de mijnwerkers ook als ‘arbeiders’ en niet zozeer als ‘professionelen’, en we zien hen vaak als minderwaardig, gebaseerd op een aantal andere factoren, zowel realistische als door de media geïnspireerde.


Hun uiterlijke voorkomen, hun grof taalgebruik en vele andere factoren hebben bij het grote publiek een negatief beeld gecreëerd van mijnwerkers. Tijdens de grote mijnstaking in de jaren ’80 in het Verenigd Koninkrijk werd daar ook nog eens ‘hebzucht’ aan toegevoegd. Natuurlijk steunden en begrepen vele mensen de mijnwerkers tijdens hun staking, maar de vooroordelen en de stereotypen hielden hardnekkig stand.


Er zijn ook mensen die dieper zijn gaan graven in ‘wat het betekent een mijnwerker te zijn’. Het werk van Lee Hall’s ‘Billy Elliot’ en de ‘Pitman Painters’, zijn hier uitstekende voorbeelden van. Maar hier wil ik de essentie van mijnwerkersgemeenschappen, mijnwerkers en hun families onderzoeken.

 

In werkelijkheid moeten en moesten mijnwerkers hooggekwalificeerde professionelen zijn, met een grote zin voor gemeenschappelijke en persoonlijke verantwoordelijkheid, niet louter ‘werkers’. Zij delen vaak de overtuiging dat we een breder perspectief nodig hebben wat betreft de organisatie van de samenleving, en dat we moeten plannen voor de volgende generaties. Mijnbouw is ingebed in gemeenschappen en overspant meerdere generaties. Waarden worden door de ouders doorgegeven aan hun kinderen, en de erfenis bestaat niet alleen uit geld, maar ook het werk zelf en de waarden en normen die er deel van uitmaken.


Een korte geschiedenis van de mijnbouw in het VK toont aan dat, sinds de constructie van de mijnschachten in de 19de eeuw, meer dan één miljoen mijnwerkers tewerkgesteld werden in de mijnen. In de jaren ’20 van de vorige eeuw nam de mijnbouw een centrale plaats in in de economie, tewerkstelling en energie in het VK. In 1947 werden de mijnen staatseigendom, in een poging om een stabiele energietoelevering en betere leefomstandigheden voor de mijnwerkers te verzekeren.


Ironisch genoeg is het net de staat die de mijnbouw in het VK uiteindelijk heeft vernietigd. Steenkool ontginnen had gedurende ruim 100 jaar een cruciale rol gespeeld in het politieke machtsspel. Het sluiten van de mijnen betekende meteen een algemene afwijzing van mijnwerkers, mijnwerkersgemeenschappen, en sleutelfiguren in de economie en in het nationale debat over de toekomst en de samenleving.


In de Algemene Staking van 1926 in het VK werd de ware kracht van de stem van de mijnwerkers zichtbaar. In 1979, bij het aantreden van Margaret Thatcher als eerste minister, veranderde de relatie tussen de regering en de mijnwerkers drastisch. De nieuwe wereldeconomieën gaven toegang tot nieuwe energiemarkten voor kopers en verkopers. Het resultaat van de nieuwe benadering van e regeringen, die zich nu konden begeven op de wereldmarkten, was dat de afhankelijkheid van energie opgewekt in het thuisland, verminderd werd. Dit hield ook in dat de oppositie tegen deze nieuwe strategie het zwijgen moest worden opgelegd. Conflict met de vakbonden werd noodzakelijk om de nieuwe energiemarkten groeikansen te geven, als excuus om handel te drijven zonder beperking, of om de aandacht van het grote publiek af te leiden. Thatcher koos het conflict-model in het VK, maar dezelfde tactiek werd ook toegepast overal in West-Europa.


Nu stellen veel mensen de tactiek en strategie van de leiders van de staking in vraag. In werkelijkheid hadden Thatcher en andere politieke leiders het gemakkelijk. De gemeenschappelijke mijnwerkerswaarden, fierheid en oprechtheid, waren hun achilleshiel. Parallel met de huidige dreiging van terrorisme, en de wetten die daar een gevolg van zijn, werden de mijnwerkers de vijand die van binnenin kwam. De regering wijzigde het conflict over de controle van loonvoorwaarden in een conflict over de controle over de macht van de vakbonden. Met elke reactie van de mijnwerkers op het gebeuren, verslechterde hun imago bij de publieke opinie.


De staking liet de nieuwe macht in de staat ook toe om oppositie in al zijn vormen te beteugelen. De hoofdbekommernis van de regering waren niet de stakingsposten of de schermutselingen, maar het echte debat over de toekomst van energietoevoer. Nu pas wordt de aandacht op de continuïteit van energietoevoer op nationaal niveau gevestigd, door het dichtdraaien van de gaskraan door Rusland ten nadele van de Oekraïne.


Brittannië is op dit moment één van de landen in de wereld die het meest in de gaten worden gehouden op CCTV. Optochten en betogingen zijn verboden vlakbij het parlementsgebouw, oorlogen kunnen verklaard worden zonder controle en de media kunnen zelfs gestraft worden als ze bepaalde gebeurtenissen in vraag stellen, zoals de aanloop naar de oorlog in Irak ons getoond heeft. Misschien heeft de staat tijdens de mijnstaking voor het eerst op grote schaal actief ingegrepen in het VK. Interessant hierbij op te merken is dat deze groeiende staatscontrole door iedereen binnen het politieke spectrum werd ondersteund. Labour –oude stijl en de relaties met de vakbonden kwijnden weg.


De vraag in verband met de staking van 1984 blijft of de regering oprecht bezorgd was over het zich verenigen om te onderhandelen of dat het toch allemaal draaide rond alternatieve economie? De stemmen van de mijnwerkers verwoordden enkele fundamentele vragen over energietoevoer en kapitalisme op wereldschaal.


We moeten altijd politieke en economische strategieën om een leefbare samenleving voor de toekomst te verzekeren, op lange termijn zien. Politici zijn geïnteresseerd in het ‘hier en nu’. De discussie over de machtsstrijd tussen de regering en de vakbonden tijdens de staking heeft gediend als een rookgordijn om de discussie over de grotere vraagstukken in de samenleving te verbergen.


We mogen niet vergeten dat vakbonden staan voor een gemeenschappelijke stem en gemeenschappelijke acties. Ten tijde van de staking werd het vernietigen van deze vakbonden gezien door velen in de samenleving als het vernietigen van een oneerlijke machthebber, vaak geïnspireerd door het thema van lonen (hebzucht). Maar hoe zouden mensen zich nu wel realiseren, dat de gemeenschappelijke stem van oprechtheid en voorspelling het zwijgen werd opgelegd.


Mijnwerkers in de North England Coalfields noemen zichzelf ‘plattelandsvolk uit het noorden dat recht voor de raap is’ dit wil zeggen, we zeggen onze mening, direct en zonder omwegen. Deze hang naar de ‘waarheid’ delen zij met mijnwerkers in de hele wereld.


Misschien werd hun manier van denken, zo anders als in de politieke wereld, gezien als de echte bedreiging en niet hun gezamenlijke acties. In het licht van wat hoger gezegd is, de stem van de vakbond vond zijn oorsprong en inspiratie in de gemeenschappelijke ervaringen en de manier waarop mijnwerkers hun wereld zien en de wereld daarbuiten.


Zij die het dichtst bij de rauwe grondstof van energie stonden, begrepen misschien het best wat de echte vragen zouden zijn in de toekomst in verband met energie in de wereld.


Wat zijn dus de unieke eigenschappen gemeenschappelijk voor mijnwerkers wereldwijd?


Om de gemeenschappelijke identiteit van mijnwerkers en mijnwerkersgemeenschappen te onderzoeken, moeten we mythe en werkelijkheid scheiden.

 

 

De mijnwerkersstaking en de media: toen nu.

Uit The Guardian, maart 2009

 

De staking van 1984-1985 werd georganiseerd in een poging een halt toe te roepen aan het sluiten van mijnen en de teloorgang van een industrie die op dat moment 180000 mijnwerkers tewerkstelde in 170 mijnen. Het was het belangrijkste industriële dispuut in Brittannië sinds de Algemene Staking van 1926. Veel aandacht ging naar de vaak gewelddadige confrontaties tussen de stakingsposten en de politie. De staking werd afgeblazen in maart 1985 zonder dat er een overeenkomst was en in 1994 werkten nog slechts 8000 mijnwerkers in 16 mijnen.

 

Quote van Arthur Scargill in The Guardian

Deze strijd gaat om meer dan de mijnwerkersbond. Het gaat om het recht op werk. Het gaat om het recht om onze mijn te behouden. Het gaat om het recht om deze industrie in stand te houden. We kunnen wel allemaal speechen, maar uiteindelijk moeten we kleur bekennen. We moeten naar voor treden en niet alleen zeggen wat we vinden dat gedaan moet worden, maar het ook doen want als we geen actie ondernemen, falen we.

‘Miners Strike’ googlen levert ongeveer 3000000 hits op. Dit is een duidelijk teken dat enorm veel werk verzet is in het analyseren van de mijnwerkersstaking. Vele boeken, artikels en televisiedocumentaires werden gewijd aan de sluitingen en de gevolgen hiervan op de mijnwerkersgemeenschappen.

 

Ook nu, op de 25ste verjaardag van de staking, worden er vele artikels gepubliceerd over stakingen. Het is dan ook verwonderlijk dat, ondanks het enorme aantal publicaties, dezelfde thema’s steeds terugkeren, waarbij heel weinig aandacht wordt besteed aan de historische context van :    

-    Wie zijn de mijnwerkers?
-    Wat is hun ethiek?
-    Wat was en is hun bijdrage aan de samenleving?
-    Wat is de kern van het mijnwerker zijn of van de mijnwerkersgemeenschap?
-    Wat was het verhaal dat ze deden, 25 jaar geleden? Preciezer, waren zij 25 jaar vooruit in hun begrip van onze huidige problemen?

 

Langzaamaan krijgt een nieuw tijdperk vorm in de 21ste eeuw, nieuwe thema’s ontwikkelen zich.
Kapitalisme: Wat is er misgelopen?
In de nasleep van het ineenstorten van het banksysteem in 2009 stelt zelfs de politieke wereld vragen bij de regulerende en morele omkadering van onze financiële instellingen. Zelfs kosten en onkosten van parlementsleden worden publiekelijk in vraag gesteld.


We waren toch zo verontwaardigd, toen de mijnwerkers een bescheiden verhoging van hun loon vroegen, dat hun een normale levensstandaard moest geven. Ik kan mij zelfs mijnwerkers herinneren die vervolgd werden omdat ze met koolafval stookten, thuis, tijdens de staking. Waren ze maar leper geweest en gewoon veranderd in politici. Dan hadden ze hun haard en het huis er rond volkomen legaal kunnen kopen, en een vijvertje met hun kleingeld.


En zo geven de politici de bankiers de schuld, de bankiers de politici; de media schuift de zwarte piet door naar zowat iedereen, behalve zichzelf. Hebben we, in onze samenleving van kritiek en schuld, het vermogen verloren naar onszelf te kijken?

 

Het is erg te betreuren dat er, 25 jaar geleden, niet beter geluisterd is naar Tony Benn, een groot pleitbezorger van de mijnwerkers’ zaak, in plaats van hem voortdurend te beschadigen in de pers. Hij stond vaak te roepen in de woestijn toen hij het had over de ruimere economische en politieke context van de staking.

 

 

 

 

 

De teloorgang van de mijnbouw, de nijverheidsindustrie en het nieuwe economische tijdperk.


Toen de traditionele vaardigheden verdwenen, steunden we op de nieuwbakken vaardigheden – i.e. geld maken van geld was de nieuwe sleutelvaardigheid om onze economie te doen groeien.


Nieuwe diensten werden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat het geld zijn weg naar beneden ook vond in kleinere hoeveelheden. We werden een land van financiële professionals en sandwich makers, soms overgoten met een toeristisch sausje om te tonen dat het ons goed gaat.


Ongetwijfeld moeten de vaardigheden die we leren in gemeenschappen en landen, mettertijd veranderen, maar veel van onze huidige problemen zijn te wijten aan de teloorgang van de manuele vaardigheden van de arbeiders. Regeringen geloven nog steeds dat je onderwijs, training en vaardigheden kan loskoppelen van elkaar. Ze doen dit natuurlijk omdat ze werkers nodig hebben die niet denken.


Regeringsbeleid (zowel links als rechts) is altijd gericht op training, de school en de leerinhouden, om aan te tonen dat ze de basisvaardigheden willen verbeteren. Maar men begrijpt nog altijd niet dat het allerbelangrijkste is, mensen te motiveren om te leren. Men engageert zich ook niet meer om mensen hetzelfde trainingsniveau en participatie van de industrie te geven als wel bestond voor de jaren ’80. Door het gebrek aan vaardigheidstraining verliezen arbeiders niet alleen de nodige vaardigheden, maar worden zelfs de fundamenten van het ‘arbeider-zijn’ aangetast, ten voordele van het meer algemene onderwijs.


De grote misvatting van de laatste 25 jaar is dat onze basisvaardigheden het enige van belang zijn en dat het de schuld is van de gewone man hier niet meer over te beschikken. In werkelijkheid waren de mijnwerkers niet alleen sterk in hun vaardigheden, maar stonden ze ook intellectueel erg sterk. Het traditionele schoolsysteem is misschien niet het ideale leerplatform geweest voor de opleiding van mijnwerkersgezinnen, maar als je luistert naar mijnwerkers in een debat, zal je inzien dat intellect uit vele verschillende bronnen komt.


Vaardigheden en intellectuele ontwikkeling gaan hand in hand met elkaar. Het gaat erom fier te zijn op je vaardigheden, op jezelf, om zo een sterke bijdrage te kunnen leveren in de industrie en in de gemeenschap. Vaardigheden in de mijnindustrie zijn ondermeer geologie, engineering en tunnelbouw. Dit ging gepaard met het paradoxale gegeven van de noodzakelijke fysieke kracht in een industrie die uiteindelijk nefast bleek voor de gezondheid van de mijnwerkers.


Vaardigheden zijn geen pasklare brokjes kennis. Het is een proces dat toelaat problemen op te lossen op de werkplek en daarbuiten. Vele jaren geleden konden vele mijnwerkers hun eigen auto repareren, of werken uitvoeren aan hun huis. De technologie evolueert constant, zodat dit nu moeilijker geworden is, maar we hebben er ook voor gezorgd dat onze kinderen minder geïnteresseerd zijn in hoe de dingen werken, en hoe ze te herstellen zijn. Hebben de nieuwe mijnwerkersgeneraties deze attitude nog wel, of zijn ze het verlangen om nieuwe dingen te leren, die ook in ons dagelijks leven gebruikt kunnen worden, kwijt.


De aanhangers van Thatcher zien het verloren gaan van deze vaardigheden misschien als een pluspunt voor politici. Vaardigheden staan immers gelijk aan macht.


Laten we nu eens de mijnindustrie van naderbij bekijken, niet als een strijd, maar als een belangrijke les die we kunnen leren over economische strategieën en diepmenselijke waarden door middel van een ‘case study’


Easington Colliery, één van de vele mijngemeenschappen in het noorden van Engeland, had erg te lijden onder de sluiting en de daaropvolgende hoge werkloosheidsgraad, onderwijs en gezondheid van een laag niveau.


Je kan wel zeggen dat de sluiting vreselijke gevolgen had. Maar als ik Easington Colliery vandaag bezoek, kom ik overal ‘Pride in Easington’ logo’s tegen. De gemeente en de bevolking willen duidelijk graag de nadruk leggen op de gemeenschappelijk identiteit, ‘Pride’ betekent ‘Fierheid’ of ‘Trots’.

 

Als ik dit nader onderzoek, kom ik tot de vaststelling dat in 25 jaar niet veel veranderd is, ondanks de enorme gevolgen van de sluitingen. Fierheid is nog altijd datgene dat de mijnwerker, de ex-mijnwerker en zijn kinderen definieert en bindt.


Als ik terugdenk aan mijn kindertijd in Easington, herinner ik me dat we elke zondag mijnwerkers zagen in een wit hemd en een das, op straat of in de werkmansclub. Velen droegen hun beste kleren, alsof ze naar een bruiloft gingen, of naar het belangrijkste sollicitatiegesprek van hun leven. Waar komt die fierheid vandaan? Wat geeft de mensen in mijngemeenschappen doorheen Europa hun gemeenschappelijke waarden?


Terugkijkend op het begin van de industriële revolutie, stellen we vast dat steenkool aan de basis lag van de energie en de mogelijkheid om de maatschappij te veranderen. Met steenkool werd elektriciteit opgewekt, stoomtreinen aangedreven, huizen verwarmd. Steenkool was zelfs een grondstof voor aspirine, waardoor we verlost werden van hoofdpijn.


Steenkool zit zelfs nog dieper in elk van ons. Omdat de oerbossen na miljoenen jaren letterlijk tot steenkool geperst zijn, was het ontginnen van dit mineraal voor de mijnwerkers bijna een religieuze ervaring. Mijnbouw is doordrongen van het besef dat de aarde de steenkool ‘schenkt’. Dit respect voor de steenkool zit voor altijd diepgeworteld in de harten van de mijnwerkers en de mijngemeenschappen.


Dit respect voor de aarde is erg actueel met onze huidige milieuproblemen. Bij velen komt dit voort uit paniek en noodzaak, maar bij de mijngemeenschappen is dit respect er al veel langer en vanzelsprekender.


Terug naar de fierheid en de identiteit die mijnwerkers delen. Ze waren, gekleed in hun zondagse pak, fier en trots op vele dingen.


Trots op de rol die ze speelden in centrum van de economie en de industriële expansie, trots op hun vaardigheden in het ontginnen van de steenkool, vaak met groot persoonlijk risico, trots op de manier waarop ze hun familie onderhielden, trots op hun bijdrage aan de staat.

 

Laat ons ook eens kijken naar de mijnwerkersvrouwen en hun identiteit. Er zijn een heel aantal interessante artikels en boeken geschreven over de rol van de echtgenotes in de Staking in het organiseren en zichzelf te onderwijzen. In vele gevallen zorgden zij voor het inkomen, door slecht betaald werk uit te voeren, gedurende de jaarlange staking. Het is waar dat veel vrouwen na de staking hun ontwikkeling en tewerkstellingskansen verder wilden benutten.


Dit kan ook ruimer bekeken worden. Als je als 10-jarige in Easington de mijnwerkers vuil uit de mijn tevoorschijn zag komen, leken ze wel op de meest geharde mensen die er bestonden. Maar als mijn grootvader zijn ‘vuile’ werkschoenen niet uittrok als hij thuis kwam, zag je meteen van wie je het meest schrik moest hebben, de man of de vrouw. Vrouwen in mijnwerkersgemeenschappen waren altijd sterke persoonlijkheden, en zij vormen nog steeds de ruggengraat van de gemeenschap. Hun rol en positie kunnen verschillen doorheen de geschiedenis, maar hun fierheid en hun kracht zijn steeds duidelijk zichtbaar.


In WO II werkten deze vrouwen in de fabrieken terwijl ze ook nog hun kinderen grootbrachten. Na de oorlog veranderde dit opnieuw. Het was dus vanzelfsprekend dat zowel in 1926 als in 1984 bij het uitbreken van de stakingen, de vrouwen de kans te baat zouden nemen om hun positie te versterken.


Identiteit is daarom een gegeven dat gedeeld wordt in alle mijngemeenschappen wereldwijd, niet alleen door de mannen, maar ook door de vrouwen en kinderen en tussen generaties onderling.


Ik herinner me de discussies nog, toen de mijnen sloten, zoveel jaar geleden, onze gemeenschap is onthoofd, geen werk betekent geen ‘fierheid’, geen mijn betekent geen identiteit als persoon noch als gemeenschap.


De gemeenschappelijke identiteit zorgde ook voor een gemeenschappelijk verlies toen de mijnen sloten.

Als ik, voor mijn onderzoek naar de gemeenschapsidentiteit, doorheen Europa reis en mijnwerkers en hun families ontmoet uit alle windstreken, ben ik getroffen door hun gelijkaardige karakters, ondanks enorme taalkundige, culturele en nationale verschillen. De vroegere en de bestaande mijngebieden hebben veel gemeen. Soms komt dat tot uiting in honderden jaren van integratie en overdracht van vaardigheden, soms in het hebben van gelijkaardige doelen, zoals wederopbouw of vakbonden. Soms is het een kwestie van gemeenschappelijke waarden.


We praten vaak over diversiteit en gelijkheid en vele andere beschrijvende termen, maar dit zijn niet meer dan taalkundige begrippen die ons helpen onze samenleving te begrijpen. Kunnen we in mijngemeenschappen duidelijk onderscheiden wat de gelijkende waarden en de verschillende zijn? Moeten we koesteren, datgene dat verschilt zowel als datgene dat gemeenschappelijk is?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfenis en geschiedenis

 

In vroegere mijngebieden in heel de wereld heb ik projecten gezien die tot doel hadden de herinneringen en tastbare overblijfselen levend te houden, de kennis en ervaring te bewaren voor de huidige en toekomstige generaties. Dit wordt meestal gedaan door vrijwilligers, maar wel op een professionele schaal die menig universitair team zou benijden. In sommige van deze gebieden werken universiteiten en vrijwilligers samen, omdat het besef groeit dat ze op die manier een belangrijke rol spelen in het bewaren van de historische erfenis.


We moeten ons echter de vraag stellen, wat we precies levend houden in deze mijnmusea. Herinneringen, geschiedenis, of cultuur? De reusachtige gebouwen en zware machines maken een enorme indruk, maar schetsen ook een grauw beeld van een mijnwerkersgemeenschap. Hoe mensen werkten in zulke omstandigheden kunne we moeilijk vatten, net zoals we moeite hebben te begrijpen dat er ondergronds hecht ‘teamwork’ en ook veel humor was.


Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvader zaliger het had over de zware werkomstandigheden ondergronds, maar mijn herinneringen van de brass band en hoe zijn paard het hem ondergronds altijd moeilijk maakte, zijn erg levendig.


We moeten de vraag stellen: Welke erfenis bewaren we?


Om de zaken historisch en cultureel open te trekken, vergelijken we mijnbouw met oudere bezigheden als landbouw. Maar terwijl we opgroeiden in de mijngemeenschap, waren we ons niet bewust van de invloed van Romeinse wegen of heidense feesten, die onze levens wel degelijk beïnvloedden. Onze geschiedenis is soms zichtbaar, maar soms maken ze, onzichtbaar, deel uit van ons wezen. We zijn verweven met onze geschiedenis.


Het naast elkaar bestaan van land- en mijnbouw was van groot belang in veel mijngebieden. Veel mijnwerkers hielden en houden er een moestuin op na, met veel kennis van zaken.


De identiteit van de besmeurde, industriële mijnwerker wordt dus van verschillende kanten aangevallen.
Ze stonden ook dicht bij de natuur en de dieren, en velen kunnen getuigen van een diepgaande kennis van het fokken van honden en duiven, waar menig professional jaloers op zou zijn.

 


 

 

 

 

 

 

 

Storthopen en gebouwen

 

In sommige landen zijn er in vroegere mijngebieden geen tekens van mijnactiviteit overgebleven. De gebouwen en de zelfs de storthopen zijn verdwenen of omgebouwd tot skipistes. In andere mijngebieden zijn er grootschalige reconversieprojecten uitgevoerd met een centrale plaats voor de mijnschacht, als een herinnering aan het verleden.


De vraag is ‘Wat draagt de infrastructuur bij in het vormen van een toekomstige identiteit voor deze oude gemeenschappen’. Ik denk dat het is als met de Romeinse wegen. Ze zullen deel uitmaken van het wezen van de toekomstige generaties, met of zonder zichtbare overblijfselen.


In een museum, moeten we herinnerd worden aan het verleden om onze toekomst te begrijpen. We moeten ons ook bewust zijn van het feit dat we niet altijd zo slim zijn als we denken in het heden.

 

 

 

Waar staan we nu?

Als een samenleving zijn we de som van ons verleden en onze huidige toestand. 25 jaar na de Mijnwerkersstaking praten we nog steeds over de taktieken van de oorlog en niet over de oorzaken ervan, en over wie gelijk had, wie ongelijk.


We moeten begrijpen dat we de mijnwerkersidentiteit anders moeten invullen. Misschien moeten we nieuwe methodes ontwikkelen om aan zelfreflectie te doen met betrekking tot onze eigen cultuur en geschiedenis.


Gedurende de laatste maanden heb ik enkele artikels zien verschijnen in de media in het VK die schoorvoetend leken toe te geven schuld te hebben aan de manier waarop mijnwerkers geportretteerd werden in 1984. Misschien hadden de mijnwerkers wel degelijk inzicht in onze huidige problemen en misschien hadden we wel beter moeten luisteren naar hen. De vraag is of de mijnwerkers de bevestiging dat ze gelijk hadden, nodig hebben vanwege de media.


Sommigen zullen de strijd verder zetten. Sommigen zullen blijven debateren over de staking. Sommigen zullen de geschiedenis misbruiken voor hun eigen doeleinden.


Er zullen altijd mensen zijn die verder kijken, en spreken met ‘fierheid en oprechtheid’. Zij zullen er altijd zijn, maar nu zijn er nog minder mensen die bereid zijn te luisteren als in 1984. Deel uitmaken van een mijngemeenschap toen of nu betekent delen met anderen, met opgeheven hoofd samen met je familie over straat lopen op een zondag. Hoeveel mensen in de huidige bankwereld én de politieke wereld kunnen dat nog doen?

 

Gerry Smith